Leven met een regel

‘Moeten’ roept in mij wrevel en weerstand op. Ik ben dan ook grootgebracht met veel ruimte: het voorrecht van de jongste. Er werd mij weinig in de weg gelegd. Ik wist ongeveer hoe het hoorde en wat zo al niet mocht, maar hóe ik dat deed bepaalde ik zelf. En wanneer ik over de schreef ging – en soms was dat behoorlijk ver – knapte ik dat zelf op. Ook nu nog, op mijn 72e, kan ik af en toe moeilijk doen bij ‘moeten’: ‘Dat bepaal ik zelf wel!’ of ‘Laat me toch!’ en tegelijkertijd denk ik: ‘Joh, hoe oud ben je nu zo langzamerhand?’. In mijn werk, als lid van de afdeling psychotherapie van een GGZ-organisatie, thematiseerde ik dat dan ook zeer regelmatig. Wanneer iemand zei: ‘Ik moet…….’ (vaak met een ondertoon van lijdzaamheid of onderdrukte passieve agressie), dan kon ik vragen ‘Wat doet het wanneer je zegt ‘Ik wil……?’. Ook persoonlijk, als gelovige, en als theoloog werd en word ik ongemakkelijk, wanneer geloven de klank heeft van ‘je móet dit of dat geloven, want zó is het’.
Toen ik in 1971, na de voltooiing van de theologiestudie te Utrecht, bij toeval in de GGZ kwam te werken – als therapeutisch medewerker, niet in de pastorale dienst! – ontmoette ik een aantal mensen, die ik hoogachtte en inspirerend vond en die ‘iets’ met Zen bleken te hebben. Ik wilde daar meer van weten. Na wat omzwervingen kwam ik op ‘de Tiltenberg’ terecht. Een zekere Mimi Maréchal gaf daar klassieke Zen in een christelijke context. ‘Het’/zij sprak me aan en jarenlang bracht ik er zo’n drie keer per jaar een weekeind (sessions van 3 of 4 dagen) door. Zodoende kreeg ik begrip voor contemplatie en het mystieke én voor de waarde van het kloosterleven. Door veranderingen op de Tiltenberg en later het overlijden van Mimi Maréchal kwam ik daar niet meer, maar mijn vaste plekje in de kapel had ik wel verinnerlijkt. Dus daar ben ik, bij wijze van spreken, mijn hele leven verder regelmatig gaan ‘zitten’.

Ook al was ik meteen na mijn studie in de therapiewereld van de GGZ terecht gekomen, ik ben altijd blijven ’preken’ en was betrokken bij tal van kerkelijke activiteiten en opleidingstaken op pastoraal-psychologisch gebied, allemaal in eigen tijd. Ik merkte al spoedig dat ik tijdens de studie wel had leren preken, maar niet had leren praten. Na veel mislukte pogingen om toegelaten te worden tot een psychotherapie-opleiding werd ik uiteindelijk aangenomen bij het Nederlands Psychoanalytisch Genootschap en mocht me na het behalen van het diploma toen ook psychoanalyticus noemen. Door Zen had zich in mij een gevoeligheid ontwikkeld voor het mystieke in het dagelijkse leven. Dat paste m.i. wonderwel bij het psychoanalytisch uitgangspunt. Daar heet het niet ‘het mystieke’ maar ‘het onbewuste’. De verwevenheid van deze twee begrippen werkte zeer inspirerend. Zitten op mijn vaste plekje op de Tiltenberg en jarenlang liggen op de bank voor mijn leeranalyse raakten met elkaar verbonden. De psychoanalyse heeft één grondregel: ‘Zeg wat er in je omgaat’. Dat lijkt simpel, maar is een moeizaam en langdurig karwei. Uiteindelijk ontstaat er een soort ruimte of vrijheid. Bij Zen is er ook zo’n grondregel: ‘Als je zit, zit dan’. Dat lijkt bijna een dooddoener, maar is een moeizaam en langdurig karwei. In de GGZ was het lastig praten over de religieuze betekenis van geloof, kerk, Zen én in de kerk was het lastig praten over de seculiere relevantie van psychoanalyse en psychotherapie voor het geloof. En waar dan ook was het lastig praten over mijn betrokkenheid op Zen of mijn eigen manier van geloven. Dat hield ik voor me zelf.

Niet zo lang geleden kwam ik in contact met de Getijdengemeeschap De Binnenkamer. Dat gaf een aanstekelijk vonkje van herinnering en herkenning. Ik ben sedert enkele jaren secretaris van het College van kerkrentmeesters, en sinds kort ook kerkenraadslid, van onze PKN gemeente te Weesp en Driemond. Dan ben je onvermijdelijk betrokken op het vraagstuk naar de toekomst van onze kerkelijke gemeente en de kerk/het christendom in het algemeen. Die Binnenkamer is een kerkvorm, waar ik wel iets in zie: bidden, persoonlijk en in verband van een gemeenschap. Vroeger zou ik ‘mediteren’ gezegd hebben in plaats van bidden. Dat klonk naar mijn gevoel wat acceptabeler. Het uitspreken van het woord ‘bidden’ geeft me, nog steeds, wat ongemak, zelfs wat schaamte, want ik kan niet goed uit leggen wat het betekent en waarom ik het doe of wat dan precies, als ik het doe. Maar binnen het kader van zo’n gemeenschap wil ik er wel voor gaan. Dat zal stimuleren. Ook de gedachte dat je dan met enige regelmaat zult evalueren en ervaringen uitwisselen. Dat gaat dan over de grondslag van de regel, namelijk het ‘Heb de Heer, uw God, lief….en je naaste als je zelf’. Dat ervaar ik niet meer als een moeten, maar als een bedding, waardoorheen doorgaande emotionele en geestelijke ontwikkeling stroomt.