Welkom in de bibliotheek.

 

Op deze pagina komen de 50 inspirerende teksten te staan.

Zijn er teksten die jou inspireren? laat het ons weten!

“Onze diepste angst is niet dat we ontoereikend zijn. Onze diepste angst is dat we mateloos krachtig zijn. Het is ons licht, niet onze duisternis, dat ons het meest vrees aanjaagt. We vragen ons af: wie ben ik dat ik briljant, schitterend, talentvol, fantastisch zou zijn? Let wel: wie ben je dat je dat niet zou zijn? Je bent een kind van God. Als jij je gedeisd houdt, bewijs je daarmee de wereld geen dienst. Er is niets verlichts aan om jezelf zo klein te maken dat andere mensen nooit onrustig zullen worden in jouw buurt. We zijn allemaal voorbestemd om te schitteren zoals kinderen dat doen. We zijn geboren om de heerlijkheid van God die binnen in ons is, naar buiten te brengen. Die bevindt zich niet slechts in enkelen van ons; die is aanwezig in iedereen.  En als wij ons eigen licht laten schijnen, geven we onbewust andere mensen toestemming om dat ook te doen. Wanneer we bevrijd zijn van onze eigen angst, heeft onze aanwezigheid automatisch een bevrijdende werking op anderen.”

Geciteerd door Nelson Mandela

Gij zijt mij overal nabij,
In ieder ding, gij ziet naar mij.
Of ik u aanzie en herken,
En, een met u, gelukkig ben.

Wel blijf ik dikwijls blind voor u
En reis ik ver van hier en nu,
Of ergens ’t veilig eiland is
Waar ‘k troost of slaap vind voor gemis.

Maar soms ben ‘k onverwacht weer thuis.
Gij roept mij zachtjes. In ’t geruis.
Van wind en blaren langs het raam
Hoor ik de fluistring van mijn naam,

Of in een glinstering van het licht
Zie ik uw wachtend aangezicht.
Als ik dan schuchter tot u kom,
Wordt het zo wonder-stil rondom,

Zo vreemd en wonder-stil in mij,
Dan is er enkel ik en gij,
Neen, gij alleen en wat gij zijt:
Mijn eind van menigvuldigheid,

Mijn oorsprong waar ik ongedeerd
In liefde toe ben weergekeerd …
Maar dan ontwaakt tot de oude droom,
Hoor ik de wind weer in de boom,

En zie de kleine dingen aan,
Die stil en ernstig voor mij staan,
Verzonken in hun eigen rust.
Zo, van ons diep verband bewust,

Heb ik hen lief en hoor tot hen
Met wie ‘k in u gelukkig ben,
En tot die nieuwe zin gewijd
Wordt al wat nu is werkelijkheid.

Wie ben ik? Vaak zeggen we mij
dat ik kalm, blijmoedig en stevig
stap uit mijn cel.
een landheer uit zijn slot.

Wie ben ik? Vaak zeggen ze me
dat ik duidelijk, vrij en vriendelijk
spreek met mijn bewakers,
ik als de gebieder.

Wie ben ik? Ook zeggen ze me
dat ik lijdzaam, glimlachend, fier
de rampzalige dagen verdraag
als iemand, gewend aan de zege.

Ben ik dat echt, wat anderen van me zeggen?
Of ben ik slechts dat wat ik ken van mezelf?
Een gekooide vogel, onrustig, ziek van verlangen,
happend naar adem, iemand knijpt me de keel dicht,
hongerend naar kleuren, naar bloemen, vogelgezang,
dorstend naar woorden die goed doen, mensen dichtbij,
bevend van boosheid om willekeur, om de kleinzieligste kwetsing,
waanzinnig van wachten op grotere dingen,
machteloos en bezorgd om vrienden, eindeloos ver,
moe en te leeg om te bidden, te denken, scheppend bezig te zijn,
mat en bereid om van alles afscheid te nemen.

Wie ben ik? Deze of die?
Ben ik dan vandaag deze en morgen een ander,
ben ik beiden tegelijk? Voor de mensen een veinzer
en voor mezelf een zielige zeurende zwakkeling.
Of lijkt wat in mij nog rest een verslagen leger,
dat in wanorde wijkt, de strijd al gewonnen.

Wie ben ik? Eenzaam getob spot met mij.
Wie ik ook ben, u kent mij, o God! Van u ben ik.

juni 1944 (vertaling:Corrie Kopmels)

(…) Zeg trouwens nooit van iets dat het vanzelf spreekt. Laten we liever tegen elkaar zeggen:’Jongens denk er om, het is niet zo,’ zoals de geleerden wel doen in de spaarzame ogenblikken dat zij zich van hun onmacht bewust zijn. ‘Het is niet zo’, dat moest je eigenlijk schrijven op de titelpagina van ieder boek, je moest het beitelen aan de gevel van iedere school en vooral van elke academie, je moest het in vlammende letters aanbrengen boven de ingang van iedere kerk en nog eens aan ieder altaar, je moest geen voordracht houden zonder deze woorden als waarschuwing vooraf en als correctie daarna. ‘Denk erom, het is niet zo’, dat moest het eerste artikel zijn van ieder politiek program, het moest prijken aan de kop van iedere krant, in de vergadergaderzalen van ieder parlement en iedere vereniging. Daarmee moest ieder wetboek beginnen en ieder vonnis. ‘Het is niet zo, het is niet zo’, dat is het beginsel van alle wijsheid.
‘Waar of niet?’ Vroeg Salomon aan Zeitscheck.
‘Ik kan alleen maar zeggen: het is niet zo,’ antwoordde deze.
(…)