Het geestelijke hart van de regel is het grote gebod:

Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de profeten staat. (Matteüs 22: 37-40).

 

Het eerste gebod leidt tot de aansporing: bid en het tweede gebod tot: bemin.

In deze twee geboden en deze twee uitwerkingen weten we heel ons vertrouwen in God, in Jezus Christus en de Heilige Geest samengevat, met de Bijbel als onmisbare bron. Deze twee geboden en de uitwerkingen in het grote gebod en het ‘bid en bemin’, vormen de kern van de regel en bieden een richtlijn en een ondersteuning voor ons dagelijks leven, waarin we ons christelijk geloven serieus nemen en waarin we ons verbonden weten met allen die de Binnenkamer een plaats in hun leven willen geven.

De Protestantse Kerk in Nederland is het huis waarin de Binnenkamer een eigen, letterlijke en geestelijke, ruimte heeft, in de kapel van Nieuw Hydepark. Daar worden de getijdendiensten gehouden, die meegebeden kunnen worden via de Binnenkamer en online via het Klooster in de Cloud.

Bid

‘Wij hebben hem lief omdat hij ons eerst liefgehad heeft.’ 1 Johannes 4: 19.

In ons bidden worden wij met God verbonden en stemmen wij af op Zijn Aanwezigheid. We roepen God aan en loven hem in een afwisselende stroom van ontvangen en geven.

Biddend kunnen we groeien in een christelijke grondhouding van recht doen, van eerbied hebben en zorgdragen voor de schepping en van het leiden van een sober leven. We bidden zowel individueel als samen met anderen.  Zo zoeken we de innerlijke stilte en de verbondenheid met elkaar.  Ons persoonlijk en gezamenlijk gebed is gebaat bij regelmaat. Bidden en Bijbellezen zijn ten nauwste met elkaar verbonden.

Bemin

Augustinus heeft gezegd: ‘Heb lief en zeg het met je leven’. Door lief te hebben geven we vorm aan Gods Liefde voor mens en wereld.

Dit liefhebben speelt zich af in de relaties met de medemensen en in een verantwoordelijke omgang met de aarde Dat betekent dat we in het beminnen handen en voeten willen geven aan de beoogde grondhouding van het bidden in recht doen, vrede stichten, zorgzaam zijn voor zieken en eenzamen en armoede bestrijden.

Reflecties

De basis voor de getijdengemeenschap is de regel: bid en bemin! Bij de regel gaat het niet om wat we zijn, maar wat we willen worden. De regel wil een handreiking zijn voor het dagelijks leven. Daarbij willen we 50 geloofsgetuigen kiezen. Mensen als Bonhoeffer, Thomas à Kempis, Teresa van Avila. Van hen verzamelen we inspirerende teksten.

Onderstaand vindt u reflecties van betrokkenen bij de uitwerking van de regel

Reintje Stomphorst

 

Ik heb een gat in mijn ziel en als ik God zeg dan wordt die leegte, ruimtemet de liefde als midden

 

 

 

Met deze woorden opende ik mijn motivatie om me te verbinden aan de derde orde van de Karmelieten. Na een traject van drie jaar had ik het nog een jaar of drie uitgesteld voor ik daadwerkelijk in een viering mijn gelofte deed. Want ach, ik had mijn plek al wel gevonden in de karmelitaanse spiritualiteit en om je nou te verbinden aan zo’n regel….

In de dagen voordat ik mijn gelofte aflegde probeerde ik woorden te vinden voor wat de regel in me opriep. Dat was op zichzelf een waardevolle oefening. Midden in de Karmelregel staat het zinnetje: ‘met de liefde als midden’. Zo wil ik graag leven dacht ik, met de liefde als midden!
De dag dat ik mijn gelofte deed zei ik o.a. het volgende:

(…) Het verhaal gaat dat Michelangelo tijdenlang naar een stuk marmer kon kijken en dan zag welk beeld er in zat. Hij zei dat hij alleen nog maar het overtollige steen weg hoefde te hakken en dan was het beeld er. In het vormingstraject kwam ik dat tegen als metafoor voor de Karmeliet. Men maakt geen Karmelieten, men ontdekt dat er een in je zit.

Er zal bij mij nog heel wat weggehakt moeten worden voor het echt zover is, maar ik ben me thuis gaan voelen in de geestelijke ruimte van de Karmelregel. De spiritualiteit van de Karmel helpt mij mijn eigen roeping te verstaan.

Als de Eeuwige zegt:  ‘Ik ben die Ik ben’ dan ligt daar in de uitdaging voor ons mensen om te worden wie wij bedoeld zijn. Geschapen naar Gods beeld, op liefde gebouwd zijn wij. En als uniek mens ben je de enige die jou kan worden. Zo weet ik me geroepen, Reintje te worden. En roeping is geen klus, roeping is ontwaken. Zoals vroeger als mijn vader of moeder me riep om op te staan. Langzaam dringt tot je door dat dit voor jou bedoeld is. Daarom wordt het tijd om te zeggen: hier ben ik.

Als puber trok ik eens in een periode van ziekte de conclusie dat God niet bestond of dat ik niet deugde, want ik had wel gebeden maar was niet genezen. Er kwam geen antwoord en God leek een gedachtespinsel van mensen, van mij te zijn. Maar ik verveelde me te pletter en ging dan toch maar weer bidden en al weet ik dat mijn ziekte altijd weer op kan spelen het is me gegeven – o, genade- dat als ik bid, dat het niet meer mijn wereld is, die ik schep, maar dat ik opgenomen wordt in de werkelijkheid die mij geschapen heeft.

Geloven is voor mij ten diepste bidden en beminnen. Ik heb ontdekt dat het er voor mij niet om gaat God te zoeken maar mijn leven zo in te richten dat er momenten kunnen zijn van vinden en gevonden worden. Ik zal steeds weer de stilte moeten zoeken, om geënt te blijven in de liefde. Als ik -zo soms even- mijn bestemming vind, mens van God te zijn, de mens die ik bedoeld ben, is het alsof hemel en aarde elkaar raken. Gij in mij en ik in U. Zo’n plaats wil ik zijn. Nooit voel ik mij minder belangrijk dan zo, maar tegelijkertijd voel ik me meer gekend dan ooit.
We zongen: Geef mij een mens, die mij bij mijn naam noemt, die Jou met mij deelt. Dat verlangen is in de Karmel in vervulling gegaan. Ik ben dan ook dankbaar in verbondenheid met jullie te mogen leven.

Mens word je te midden van mensen. Nergens groeit een mens zo aan als aan de liefde. (…)

Die dag noemde ik voor het eerst: bidden en beminnen als het meest wezenlijke van geloven. In 2015 bleek ik opnieuw ernstig ziek, ik heb die zomer vele uren per dag, in het donker op bed gelegen en langzaam rijpte de wens om wat ik bij de broeders en zusters van de Karmel geleerd had vruchtbaar te maken voor de Protestantse Kerk. Als protestanten hebben we de monastieke inspiratie te lang verwaarloosd en ik vind niet dat we hoeven te kopiëren wat in een of ander klooster gebeurt maar dat we een eigen vorm mogen ontwikkelen, die past bij ons Protestantse charisma.
Eerdere ideeën kregen hun plaats in het plan en zo vormde zich de Getijdengemeenschap ‘de Binnenkamer’ met het virtuele ‘Klooster in de Cloud’, tezamen verbonden door een regel.

De regel is eenvoudigweg ‘Bid en bemin’ geworden. Kort en krachtig. De toelichting geeft een waardevolle aanvulling. Ik nodig iedereen uit om de oefening te doen om eigen woorden te vinden bij wat ‘bid en bemin’ ten diepste teweegbrengt.

Jan Bodisco Massink

 

Leven met een regel

 

 

‘Moeten’ roept in mij wrevel en weerstand op. Ik ben dan ook grootgebracht met veel ruimte: het voorrecht van de jongste. Er werd mij weinig in de weg gelegd. Ik wist ongeveer hoe het hoorde en wat zo al niet mocht, maar hóe ik dat deed bepaalde ik zelf. En wanneer ik over de schreef ging – en soms was dat behoorlijk ver – knapte ik dat zelf op. Ook nu nog, op mijn 72e, kan ik af en toe moeilijk doen bij ‘moeten’: ‘Dat bepaal ik zelf wel!’ of ‘Laat me toch!’ en tegelijkertijd denk ik: ‘Joh, hoe oud ben je nu zo langzamerhand?’. In mijn werk, als lid van de afdeling psychotherapie van een GGZ-organisatie, thematiseerde ik dat dan ook zeer regelmatig. Wanneer iemand zei: ‘Ik moet…….’ (vaak met een ondertoon van lijdzaamheid of onderdrukte passieve agressie), dan kon ik vragen ‘Wat doet het wanneer je zegt ‘Ik wil……?’. Ook persoonlijk, als gelovige, en als theoloog werd en word ik ongemakkelijk, wanneer geloven de klank heeft van ‘je móet dit of dat geloven, want zó is het’.

Toen ik in 1971, na de voltooiing van de theologiestudie te Utrecht, bij toeval in de GGZ kwam te werken – als therapeutisch medewerker, niet in de pastorale dienst! – ontmoette ik een aantal mensen, die ik hoogachtte en inspirerend vond en die ‘iets’ met Zen bleken te hebben. Ik wilde daar meer van weten. Na wat omzwervingen kwam ik op ‘de Tiltenberg’ terecht. Een zekere Mimi Maréchal gaf daar klassieke Zen in een christelijke context. ‘Het’/zij sprak me aan en jarenlang bracht ik er zo’n drie keer per jaar een weekeind (sessions van 3 of 4 dagen) door. Zodoende kreeg ik begrip voor contemplatie en het mystieke én voor de waarde van het kloosterleven. Door veranderingen op de Tiltenberg en later het overlijden van Mimi Maréchal kwam ik daar niet meer, maar mijn vaste plekje in de kapel had ik wel verinnerlijkt. Dus daar ben ik, bij wijze van spreken, mijn hele leven verder regelmatig gaan ‘zitten’.

Ook al was ik meteen na mijn studie in de therapiewereld van de GGZ terecht gekomen, ik ben altijd blijven ’preken’ en was betrokken bij tal van kerkelijke activiteiten en opleidingstaken op pastoraal-psychologisch gebied, allemaal in eigen tijd. Ik merkte al spoedig dat ik tijdens de studie wel had leren preken, maar niet had leren praten. Na veel mislukte pogingen om toegelaten te worden tot een psychotherapie-opleiding werd ik uiteindelijk aangenomen bij het Nederlands Psychoanalytisch Genootschap en mocht me na het behalen van het diploma toen ook psychoanalyticus noemen. Door Zen had zich in mij een gevoeligheid ontwikkeld voor het mystieke in het dagelijkse leven. Dat paste m.i. wonderwel bij het psychoanalytisch uitgangspunt. Daar heet het niet ‘het mystieke’ maar ‘het onbewuste’. De verwevenheid van deze twee begrippen werkte zeer inspirerend. Zitten op mijn vaste plekje op de Tiltenberg en jarenlang liggen op de bank voor mijn leeranalyse raakten met elkaar verbonden. De psychoanalyse heeft één grondregel: ‘Zeg wat er in je omgaat’. Dat lijkt simpel, maar is een moeizaam en langdurig karwei. Uiteindelijk ontstaat er een soort ruimte of vrijheid. Bij Zen is er ook zo’n grondregel: ‘Als je zit, zit dan’. Dat lijkt bijna een dooddoener, maar is een moeizaam en langdurig karwei. In de GGZ was het lastig praten over de religieuze betekenis van geloof, kerk, Zen én in de kerk was het lastig praten over de seculiere relevantie van psychoanalyse en psychotherapie voor het geloof. En waar dan ook was het lastig praten over mijn betrokkenheid op Zen of mijn eigen manier van geloven. Dat hield ik voor me zelf.

Niet zo lang geleden kwam ik in contact met de Getijdengemeeschap De Binnenkamer. Dat gaf een aanstekelijk vonkje van herinnering en herkenning. Ik ben sedert enkele jaren secretaris van het College van kerkrentmeesters, en sinds kort ook kerkenraadslid, van onze PKN gemeente te Weesp en Driemond. Dan ben je onvermijdelijk betrokken op het vraagstuk naar de toekomst van onze kerkelijke gemeente en de kerk/het christendom in het algemeen. Die Binnenkamer is een kerkvorm, waar ik wel iets in zie: bidden, persoonlijk en in verband van een gemeenschap. Vroeger zou ik ‘mediteren’ gezegd hebben in plaats van bidden. Dat klonk naar mijn gevoel wat acceptabeler. Het uitspreken van het woord ‘bidden’ geeft me, nog steeds, wat ongemak, zelfs wat schaamte, want ik kan niet goed uit leggen wat het betekent en waarom ik het doe of wat dan precies, als ik het doe. Maar binnen het kader van zo’n gemeenschap wil ik er wel voor gaan. Dat zal stimuleren. Ook de gedachte dat je dan met enige regelmaat zult evalueren en ervaringen uitwisselen. Dat gaat dan over de grondslag van de regel, namelijk het ‘Heb de Heer, uw God, lief….en je naaste als je zelf’. Dat ervaar ik niet meer als een moeten, maar als een bedding, waardoorheen doorgaande emotionele en geestelijke ontwikkeling stroomt.

Kick Bras

 

Er wordt nog wel eens een tegenstelling neergezet tussen bidden en handelen

 

 

 

 

Veel mensen in onze westerse samenleving zijn praktisch ingesteld. Ze willen graag wat doen voor hun medemensen. En ze zien niet in wat bidden daar nu aan kan toevoegen. Ze beschouwen zichzelf als ‘doeners’ en niet als ‘bidders’. Dat geldt zeker voor mensen met een protestantse achtergrond. Hoewel ze de waarde van het gebed niet ontkennen, zoeken ze hun kracht toch vooral in een praktische vorm van christendom. Het protestantisme kent ook geen contemplatieve tradities. Toch zien we juist ook binnen de protestantse kerken dat de belangstelling voor gebed en meditatie toeneemt, en dat vormen van monastieke spiritualiteit in de belangstelling staan. Er is blijkbaar een innerlijke behoefte aan spiritualiteit, aan vormen van omgaan met God.

Zelf heb ik die behoefte al van jongs af aan gevoeld, en hoewel ik een extravert persoon ben en graag heel actief bezig, heb ik de weldaad leren ontdekken van een meditatieve, biddende omgang met God. Ik ervaar vaak, dat dit mij sterker maakt. Dat mijn geloof meer van binnenuit komt en minder afhankelijk is van uiterlijke omstandigheden. Bidden en mediteren leert mij om spiritueel op eigen benen te staan. En dat geeft mij weer de kracht en de moed om open te staan voor mijn medemensen. Bidden helpt mij om kritisch naar mijzelf te kijken, het helpt mij om goede keuzes te maken in mijn omgang met mensen. Het geeft mij ook de broodnodige relativering. Want als de verantwoordelijkheid voor bepaalde mensen zwaar op mij drukt, kan ik in gebed en meditatie dat ook loslaten en in Gods handen leggen. Niet dat ik daarmee mijn eigen verantwoordelijkheid afschuif, maar ik kan dan wel beter relativeren en zo kan ik er weer tegenaan. Bidden helpt mij dus om vol te houden in het beminnen van mijn naaste.

En zo heeft, omgekeerd, beminnen ook invloed op mijn bidden. Want gebed en meditatie isoleren mij niet van de wereld om me heen. Ik neem die wereld mee in mijn gebed. Voorbede maakt daar een onmisbaar element van uit. Daarom vind ik het initiatief van de Binnenkamer ook zo mooi. Dan ben je biddend betrokken bij een bredere gemeenschap, lees je samen dezelfde Schrift en bid je een gemeenschappelijk gebed. Zo wordt wat heel persoonlijk is, een binnenkamer, tegelijk een open ruimte waarin mensen verbonden zijn.

Aline Barnhoorn

 

Om tot je Bestemming te komen

 

 

In 1985 maakte ik kennis met de Nikola-kommuniteit in Utrecht. De aanleiding was niet feestelijk: ik had een tijdelijk onderdak nodig omdat mijn huwelijk in een crisis was geraakt. De nood bleek een ‘blessing in disguise’. Ik ondervond in de kommuniteit de helende kracht van Gebed, Gemeenschap en Gastvrijheid. Dat zijn de drie samenbindende krachten die deze oecumenische leefgemeenschap behartigt én samenbindt.
Drie maal per dag samenkomen om te bidden. Dagelijks eten mensen samen aan de gemeenschappelijke tafel.
Gastvrijheid ondervinden als kwetsbare vreemdeling, en zo Christus mogen representeren voor de leden van de gemeenschap die gasten onderdak bieden en ruimte om tot zichzelf te komen.

Het kloosterlijke van dit leven was me niet helemaal vreemd, al eerder had ik in Friesland meegedaan met het ‘Oecumenisch jongerenklooster Lichtaard’, net als de Nikola-kommuniteit geïnspireerd door de broeders in Taizé.
Ik kwam hier thuis en besloot na enige tijd om me aan te sluiten. Sindsdien is er veel geleefd en geleden, gevierd en betreurd. Maar wat bleef was steeds het samenspel tussen de drie ‘G’s: we bidden drie maal per dag het getijdengebed, we ontmoeten elkaar aan tafel, in de gemeenschapsruimte en tijdens bijeenkomsten en we ontvangen gasten die, net als ik destijds, tijdelijk een onderkomen nodig hebben om hun leven weer op de rail te krijgen. We willen samen een ruimte vormen om tot je Bestemming te komen. Zo staat het geformuleerd in onze ‘regel ‘, die in strikte zin geen regel is.

Het zijn 52 korte, poëtische samenvattingen van de innerlijke houding die nodig is om tot je Zelf, je Bestemming, te komen. Geschreven door onze inmiddels overleden broeder Edwin, die als protestantse theologiestudent een monniksroeping ervoer en daar vorm aan gaf. Een monastiek experiment met een oecumenische inslag, geïnspireerd door de ervaringen in de diverse kloostertradities.
De getijden geven structuur aan de hele dag. En ze relativeren spanningen en kleinzieligheden. We worden herinnerd aan onze éénheid. We maken deel uit van één onuitputtelijk Verband. Dat zou je al levend steeds bijna vergeten.
Bidden en beminnen. Daar gaat het om.

Of het idee van ‘klooster in de cloud’ datzelfde kan uitwerken weet ik niet. In de ‘cloud’ kun je geen fysieke gemeenschap ervaren. Om zielsverwanten te ontmoeten moet je elkaar toch regelmatig in de ogen kunnen zien, die weerspiegelen immers de ziel. Maar het is goed om een ruimte vorm te geven die ons eraan herinnert dat we op Weg zijn naar onze Bestemming. En dat er tochtgenoten zijn. En dat de ziel van alles wat we doen is gelegen in ons hart, onze binnenkamer. En dat de Protestantse Kerk een hart en ziel hard nodig heeft. Om tot onze Bestemming te komen.

Egbert van der Stouw

 

Bid en Bemin

 

 

 

 

Mijn leven richten naar een ‘levensregel’, ‘leefregel’ of simpelweg ‘regel’ is een al langer sluimerend verlangen dat in mij leeft. Twaalf jaar geleden formuleerde ik voor mijzelf al een leefregel, die begint met de woorden: Leef vanuit de liefde. Ongeveer in diezelfde tijd schreef ik een leefregel die richting wilde geven aan een lokaal netwerk van ‘zoekers’ waarbij ik een tijdje betrokken was. Later heb ik die leefregel bewerkt tot de volgende tekst:

Geroepen door een Stem die de stilte niet breekt, willen wij de weg van onze bestemming gaan, op voeten die liefdevol dienen, met handen die vreugdevol scheppen, op de hartslag van biddend leven, op de adem van aandachtig zijn; willen wij laten vernieuwen ons leven, ons samenleven en de aan ons toevertrouwde aarde.

De regel Bid en Bemin van ‘Getijdengemeenschap De Binnenkamer’ raakt me, omdat ik hierin een kernachtige verwoording lees van de leefregels die ik zelf eerder onder woorden bracht. Wat me ook aanspreekt is dat deze regel is ontstaan binnen een initiatief dat zich richt op het hart van de Protestantse Kerk in Nederland en dat tegelijkertijd verbonden is met de oecumene. De Protestantse Kerk heeft met het oog op de toekomst van het kerkzijn een visie omarmd die wordt samengevat in de woorden ‘back to basics’, oftewel ‘terug naar de kern’. De regel Bid en Bemin geeft taal en inhoud aan die kern. Het spannende aan een leefregel is dat toewijding eraan ook vraagt om ‘aanspreekbaarheid’. Een regel kan dan ook alleen goed gedijen in een gemeenschap van ‘toegewijden’, die onderling kwetsbaar durft te zijn. Hoe dat vorm moet krijgen in een tijd waarin gemeenschapsvorming vaak weinig duurzaam en nogal vrijblijvend gestalte krijgt is voor mij nog wel een vraag.

En als ik het nog iets meer op mezelf betrek: Durf en wil ik me toe vertrouwen aan zo’n gemeenschap van toegewijden, als die uit dit initiatief zou ontstaan? Voorwaarde daarvoor zou voor mij in ieder geval zijn dat deze gemeenschap ook lokaal, in mijn nabije omgeving, ontstaat en ervaarbaar is. En daarnaast dat deze gemeenschap volop ‘katholiek’ oftewel oecumenisch van aard is. Als de ‘Getijdengemeenschap De Binnenkamer’ en de leefregel Bid en Bemin hierin stimulerend zouden kunnen werken, is de missie wat mij betreft geslaagd.

Els Terpstra

 

 

 

 

 

Vroeger vond ik regels altijd heel vaststaand en dor. Het voelde voor mij alsof ze onbeweeglijk waren en mensen opdroegen wat ze moesten doen. Op deze opvatting van mij ben ik tegenwoordig steeds meer aan het terugkomen. Ik heb ontdekt dat een regel ruimte biedt in plaats van beperking. Tuurlijk, je maakt een bepaalde keuze wanneer je voor een regel kiest. Ik kan niet meer voor alle opties kiezen die ik eerst wel had, maar een regel biedt in ruil daarvoor wel verdieping. Die andere opties kan ik nog wel onderzoeken (want ze blijven interessant), maar ik overweeg niet meer om ervoor te kiezen.

Bid

Het beeld ‘wandelen met God’ komt voor mij dicht in de buurt hoe ik bidden beleef. God gaat met je mee en is met je onderweg. Het ‘praten’ onderweg voelt vertrouwd en veilig. Soms gaat dit praten op in de stilte van mijn hart, waar woorden fluisteren of gevoelens dansen. Een andere keer praat ik juist hardop, of is er een duidelijke vraag in mijn binnenste.

In deze relatie kan van mijn kant een confronterende vraag komen, wanneer ik bijvoorbeeld Auschwitz bezoek of een in een moeilijke periode in mijn leven zit. Dan denk ik dat God er niet is, dan voel ik Hem in elk geval niet, dan is het ‘gewoon’ maar geloven dat het eens weer goed zal gaan en dat God er nog steeds is. Tijdens die moeilijkere periode, of daarna, zie ik ineens een klein lichtje, blijkt Hij er wel te zijn. God lost mijn problemen niet op en staat niet buiten mijn angst of pijn, maar doorgrond deze en probeert nabij te zijn. Hoe Hij nabij is, weet je niet van tevoren, maar wanneer Hij nabij is, voelt het meestal met een kwinkslag.

In de Bijbel lees ik verhalen. In deze verhalen zijn mensen en God verbonden met elkaar, gaan mensen elk hun eigen verbinding aan met God. Het zijn verhalen die richting geven aan mijn leven, of mijn leven juist op zijn kop zetten, om zelf richting te zoeken. Het zijn verhalen die nooit één antwoord hebben, maar je uitdagen jouw betekenis ervan te vinden. Voor mij zijn het verhalen die met je mee reizen, net zoals God dat doet. Ik lees de Bijbel het liefst met anderen omdat hun andere perspectief het verhaal verrijkt, of ik lees Bijbelteksten in stilte (met achtergrondteksten erbij om ze te kunnen plaatsen) om ze tot mij te laten doordringen. Voor mij is de Bijbel een boek dat je nooit uitgelezen hebt.

Wanneer ik soms probeer te beseffen hoe het voelt dat God ons overstijgt, voel ik mij nederig en borrelt het woord overgave in mij op voor hoe ik mij dan voel. Uiteindelijk gaat het niet om mij, hoewel ik denk dat iedereen zijn/haar eigen ding doet en dat goed is, maar om iets veel groters wat ik nooit kan bevatten (wat ook wel weer prettig is). Bij deze overgave hoort ook liefde en vertrouwen: uiteindelijk ben ik niet diegene die het weet, maar God weet het en dat is genoeg voor mij.

Bemin 

Tijdens mijn levensreis is het een uitdaging om mij thuis te voelen in deze wereld. Ik kan mij snel verbinden met de natuur en voel mee met het leed van anderen, maar het maakt me ook kwetsbaar om mezelf aan anderen te laten zien. Nu ontdek ik dat ik mijn angsten over anderen mag loslaten, omdat ik ontdek dat niet alleen de natuur mijn thuis is, maar ook mensen in deze wereld. Anderen zijn niet eng of donker.

Wanneer ik mij met een ander verbindt, bijvoorbeeld door een gesprek, ontdek ik dat ik mij kan herkennen in een ander, dat je verbinding maakt. Soms voelt de ander juist heel anders dan jij, door een andere opvoeding, cultuur of wereldbeeld. De ander is dan ontzettend anders dan ik, maar dan leer ik van die ander omdat hij of zij zo’n ander perspectief heeft dan ik. In ontmoetingen met de ander waar verbinding plaatsvindt op een of andere manier, wanneer je de ander ruimte geeft om zichzelf te zijn en je openstaat om iets van die ander te leren, kan je volgens mij iets van God zien.

Ik hoop dan ook, náást mezelf te beminnen, steeds meer van de ander te houden. Te houden van wat die ander maakt tot wat diegene is, met eigen interesses, dromen en achtergronden. Dit doet mij denken aan de presentiebenadering, wat ik voor mezelf ook meer aan het onderzoeken ben.

De Binnenkamer

Het bijzondere van de Binnenkamer is voor mij het bidden van de getijden. Het met regelmaat bidden en Bijbellezen met elkaar doet iets met mij. Ik raak meer in gesprek met God en met de Bijbel en kan hierin ontwikkelen.

Ik hoop ook van harte dat het Klooster in de Cloud doorgaat, zodat ik na mijn stage nog steeds mee kan bidden, tussen de drukte van mijn studie door. De gemeenschap die er al is en zich nog verder zal ontwikkelen, steunt voor mij ook op de regel, om dichterbij God en bij elkaar te komen.

Rosaliene Israël

 

 

 

 

 

 

Je vraagt je misschien af: Wat bezielt mensen om zich aan een leefregel te verbinden? Is een ‘gewoon’ leven als gelovige en zondagse kerkganger dan niet genoeg? Ik zie het ontstaan van de leefregel van de Binnenkamer in lijn met de behoefte van veel mensen om spiritualiteit te verbinden aan het alledaagse leven. De grote uitdagingen van onze tijd – op economisch, humanitair en klimatologisch gebied – vragen om een antwoord, dat we op ons eentje moeilijk kunnen geven. Een leefregel geeft richting en verbindt ons met anderen, die eenzelfde verlangen delen. En dat is precies wat de leefregel van de Binnenkamer wil zijn: een inspiratiebron voor een geëngageerd leven in verbondenheid met anderen. ‘Bid en bemin’ vormt de kern van een christelijke spiritualiteit, die niet van de wereld weg beweegt, maar juist handvaten wil bieden voor het leven in de wereld. In de veelheid van bronnen en spirituele wegen waardoor we ons vandaag kunnen laten inspireren, valt de leefregel van de Binnenkamer op door haar eenvoud en haar Protestantse inslag. Juist daardoor heeft deze leefregel de pretentie om aansprekend te zijn voor de volle breedte van de Protestantse Kerk en wie zich aan haar spiritualiteit verwant voelen. In een tijd waarin velen zich aangetrokken voelen door monastieke praktijken en leefvormen, biedt de leefregel van de Binnenkamer een herkenbaar Protestants alternatief. Ik ben benieuwd hoe deze leefregel gaat functioneren en wat dit vernieuwende initiatief teweeg gaat brengen!

Teun Kruijswijk Jansen

 

Leven met een regel

De vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Er is geen wet die daar iets tegen heeft. (uit: de Galatenbrief)

Aanleiding

Begin zeventiger jaren werd vanuit de Kerken de ‘actie Nieuwe Levensstijl’ ingebracht. Je levenshouding had een directe relatie met je geloven, wilde dat zeggen. Het verontrustende rapport van De club van Rome over het milieu kreeg zo een praktisch vervolg. We voerden hier thuis nogal eens levendige gesprekken over. De Schepping was om te behoeden en te bewaren, en we dachten door over hoe wij daarin een positieve rol konden spelen. Regel werd bijvoorbeeld om minder vlees te eten of te vervangen door peulvruchten. Later kreeg deze bewustwording in het Conciliair proces van de Wereldraad van Kerken een vervolg; helaas werd dat proces gestopt, waarmee ook de persoonlijke betrokkenheid en richting zoeken een gemeenschappelijke bedding ging missen. Daar voor mij actie en contemplatie van jongs-af-aan verbonden waren met gemeenschapsleven – in het eerste verband van het gezin thuis, en kerkelijke gemeente – viel er voor mij iets essentieels weg.

De kennismaking met de Iona Community in Schotland in 1997 sprak dat oude verlangen weer aan: to rebuild community, is de onderliggende doelstelling van deze gemeenschap. Het was helend om een week mee te kunnen leven met gasten, leiding, enkele leden en bezoekers in het gemeenschapsleven in Iona Abbey. Deze heling werkte niet alleen door in het persoonlijke geloofsleven (dagelijks twee getijde-diensten, en bij thuiskomst mogelijk deelnemen aan de gebedspraktijk, en wekelijks de mogelijkheid via internet een voorbede te vragen bijvoorbeeld), maar ook in de behoefte met anderen dagelijks leven en geloven te delen. Vanaf 1999 delen we in de Nederlandse Iona Groep de spiritualiteit van deze oecumenische beweging en de Rule maakt daar wezenlijk deel van uit.

Invulling

Het lid worden van de Iona Community in 2009 ging gepaard met de gelofte om me aan de leefregel te houden. Eigenlijk zag ik daar nog het meest tegenop. Dagelijks bijbel lezen en bidden, de eerste regel, ja dat gaat wel, want dat deed ik al. Maar het gesprek over het verantwoorden van mijn tijd en mijn financiën (regel 2 en 3) was wat anders. En de regel van de ‘belofte van inzet voor vrede en gerechtigheid’ (4): hoe geef je dat vorm en inhoud, meer dan wat je al deed? De laatste regel ging (en gaat) over het gesprek waar je je onderling als leden toe verplicht om over de eerste vier regels met elkaar van gedachten te wisselen.

Inmiddels zijn we acht jaar verder. Ieder jaar schrijf ik in april de ‘leader’ van de Community een brief hoe ik met ‘de regel’ gevaren ben, plus een financieel overzicht van inkomsten en uitgaven en tot welk bedrag ik kom bij de 40% (van mijn vrijwillige bijdragen aan allerlei organisaties), die mijn jaarlijkse bijdrage voor de doelen van de Community betekent. Het schrijven van de brief is nodig om mijn lidmaatschap weer voor een jaar te verlengen. Het is niet vanzelfsprekend dus om van deze Gemeenschap lid te blijven!

Het blijkt verrijkend te zijn om met de andere drie Nederlandse leden ieder jaar in februari ‘tijd te schrijven’ of het huishoudboekje eens precies bij te houden. Het leidt, vanuit het besef dat we ons geld en onze tijd te leen hebben gekregen, tot de bevrijdende ervaring dat je de enige niet bent die worstelt met de keuzes die je maakt. De anderen herkennen je vragen, delen je zorgen en vreugde, en kijken mee als er lastige keuzes gemaakt moeten worden. Een mooi moment was dat we allemaal tot de overtuiging kwamen dat we een andere bank moesten nemen die meer verantwoord met ons geld om zou gaan. We ontdekten dat de overstap meer mee was gevallen dan we eerst dachten. Zonder ons contact waren we er niet zomaar aan begonnen.

Leven met een regel geeft cement aan je levenshouding: in aandacht, richting, geld en tijd. Het wonderlijke is ook dat het ruimte geeft. Ik vraag me vaak af waar dat in zit: ik vermoed dat het de vrijwillige begrenzing is die je aangaat. Waarmee je van grenzeloze vrijheid (wat dat ook is) die tot richtingloosheid kan leiden, afgeholpen wordt. Al vind ik dat wel negatief klinken.

In onze Nederlandse groep maken we keuzen en afspraken voor de vormen van ontmoeting en wederzijdse verantwoording. Het is een kleine beweging van zo’n 80 heel betrokkenen en 300 emailadressen van ‘volgers’. Wie zich ertoe geroepen voelt kiest voor de verbintenis met de Leefregel. Het is een uitvloeisel van de (dagelijks) uitgesproken belijdende woorden uit onze dag liturgie: wij belijden dat Gods goedheid in ons werkt, en dieper wortelt dan alle kwaad.

Ik laat hier eigenlijk onbesproken wat de contemplatieve kant van de regel verder met me doet. John Bell, dichter en componist van onze gemeenschap, uit atheïstische kring afkomstig, vertelde in een interview dat hij als jongere verrast was geweest door de vraag of hij bereid was dagelijks te bidden en de Bijbel te lezen: this are serious people, ervoer hij. Er wordt nergens zo graag gelachen als in deze gemeenschap van mensen die ‘tillen’ aan de navolging, maar geleid worden door de bevrijdende belijdenis over goed en kwaad: elke dag mogen we bij deze Father/Mother-Son and Spirit  weer opnieuw beginnen.

Moni Sarolea

 

 

 

 

 

 

Het concept van de regel spreekt mij zeer aan, in zijn eenvoud die recht naar de kern gaat: bid en bemin. Het getijdengebed, in zijn eeuwen-, ja millennia-oude vorm, verbindt ons direct met die kern en met allen die ons daarin zijn voorgegaan als God-zoekers binnen onze joods-christelijke traditie.

Ik bewonder ook de poging om dat aloude ideaal vorm te geven met de middelen van deze tijd. Toch kan ik me een getijdengemeenschap moeilijk voorstellen zonder enige vorm van leefgemeenschap, dat blijft voor mij een groot gemis in de huidige opzet.

Ook ik heb op mijn oude dag nog een vorm van leefgemeenschap mogen vinden, die weliswaar dagelijks meer afbrokkelt door het wegvallen van de fraters die nog de liturgie van vóór Vaticanum II hebben meegemaakt: de tachtigers en negentigers.

Met mijn gebed en mijn allerbeste wensen voor jullie moedige pogingen blijf ik jullie initiatief van harte volgen, in de hoop en het vertrouwen, dat dit ademen van onze gezamenlijke kerkgemeenschap in jullie binnenkamer zal worden voortgezet, in verbinding met de vele initiatieven die op dit moment hier en daar worden opgestart!